Bleigh wist het zeker; dit jaar zou zij het allervetste schaap van de hele kudde worden. Ze zocht de beste klavertjes, het hoogste gras, de lekkerste takjes. Alles wat haar maar dik zou maken.
Want het dikste schaap had altijd een bijzonder plekje in het hart van de herder. Zij mocht in de winter zelfs binnen slapen in het stenen huis. Daar moest het fantastisch zijn, want geen enkel schaap was er ooit van teruggekomen.
Bleigh jaagde de andere schapen weg als ze van haar klavertjes wilden eten. Dit was haar stekkie. Als ze niet wilden luisteren maakte ze met haar kop een dreigend gebaar alsof ze de andere schapen best een kopstoot wilde geven.
De andere schapen lieten haar maar met rust. Ze stonden als een kluitje in het midden van de weide, waar het gras goed genoeg was. Ze waarschuwden Bleigh dus ook niet toen ze op een dag wel erg ver van de kudde liep om nog betere klavertjes te zoeken. Toen Bleigh laat in de middag om zich heen keek zag ze nergens de andere schapen. Ze was verdwaald. Gelukkig stond de zomerzon nog hoog aan de hemel. Nu was de beste tijd om veel te eten. In het schemer zou ze de rest van de kudde wel weer terugvinden. En anders zou ze wel de bel van de herder horen om haar terug te roepen. Ze zette haar zorgen van zich af en genoot van iedere hap die haar steeds vetter maakte. Onder haar dikke vacht voelde haar buik met de dag groeien.
In het gras sprong iets voor haar poten weg. Het was een konijn, die er als een haas vandoor ging. Hij leek ergens voor op de vlucht. Bleigh keek om haar heen. Ze duwde haar neus in de lucht en rook een muffe geur die haar onbekend voorkwam. Nieuwsgierig liep ze in de richting waar het konijn vandaan was gerend.
Daar lag iets in het gras. Een harig dier zo bruingrijs als de herdershond. Bleigh kwam voorzichtig dichterbij en pas toen ze aan zijn staart snuffelde deed het zijn ogen open.
‘Dag schaap,’ zeiden een paar vlijmscherpe tanden.
‘Ben je zo moe van het leven dat je de wolf komt bezoeken?’
De adem van de wolf stonk naar vers bloed. Maar dat kon Bleigh hem wel vergeven, want eerlijk was wel.
‘Ben jij nou een wolf? Het beruchte beest waar iedere schaap bang voor is? Die vloek waar de herder ons altijd voor waarschuwd?’
De wolf lachte alleen maar, zijn ogen sluw als donderwolken bij een heldere hemel.
‘Ik ben niet bang,’ zei Bleigh trots.
‘Je hebt geluk,’ zei de wolf. ‘Ik heb net konijn gegeten, die zijn er deze zomer genoeg. Aan een arm schaap als jij heb ik geen behoefte.’
Bleigh stak haar neus in de wind. ‘Ach wolf, wat ga jij doen? Je bent zo lui als een steen die ligt te bakken in de zon. Je verspilt je beste dagen met nietsdoen. Je zou gras moeten eten en dik worden. Wat ga je doen als de winter komt met zijn alleroverheersende honger?’
‘Ik luister naar mijn neus,’ zei de wolf, ‘en vang een konijn. Dat is genoeg voor mij.’
‘Ach wolf, wat ga je doen? Je verspilt je nachten met onmogelijke dromen die je naar de sterren zingt. Je zou moeten slapen en je vacht dik laten worden. Wat ga je doen als de winter komt met zijn bittere kou?’
‘Ik volg mijn staart,’ zei de wolf, 'en rol me op in de sneeuw.’
‘Ach wolf, wat ga je doen? Je verspilt je jonge jaren met lantefanteren en doet maar waar je zin in hebt. Je zou moeten luisteren naar de herder. Wat ga je doen als de winter komt en je geen huis hebt om in te slapen?’
‘Ik volg mijn hart,’ zei de wolf, ‘en vind daar altijd een thuis.’
‘Arme wolf,’ zei Bleigh. ‘Van dromen kan je niet leven. Kijk toch naar mij. Ik gebruik mijn beste dagen om mezelf dik en rond te eten. Maar jij lust het gras niet eens. Wat ga jij doen als straks de winter komt?’
‘Ach,’ grijnsde de wolf zijn tanden bloot. Voor het eerste tilde hij zijn kop uit het gras om het vette schaap eens goed te bekijken.
‘Ik denk dat het wel goed komt.’
De inspirerende tekening hierboven is van Kim Holm: http://www.patreon.com/kimholm
Het heeft een Creative Commons Attribution 4.0 International License.